februari 29, 2020

Alles over "Kamp Baudeloo" te Klein-Sinaai

De Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen 

Onder de spade in het kamp Baudeloo te Klein-Sinaai

  1. Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VAVV) 

V.A.V.V.

  • volledig: Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, 1940 - 1944
  • afgekort: VAVV

Zetels

  • Antwerpen: Vestigingsstraat 62, 1940 - 28 september 1941
  • Antwerpen: Nerviërsstraat 17, 29 september 1941

 

Historische schets

Arbeidsdiensten, waarbij jongeren werden ingeschakeld in werken van openbaar nut, ontstonden reeds in de jaren 1920 en 1930 in West-Europa, de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. In Duitsland was er sinds 1933 een verplichte dienstperiode voor jonge mannen en vrouwen in de Reichsarbeitsdienst (RAD). Deze dienst stond na 1940 in verscheidene bezette landen model voor een aantal organisaties die met steun van de bezettende overheid en de RAD tot stand kwamen (De Wever 1998-1111).

In België werd een eerste korte poging ondernomen in 1935 toen een wet werd goedgekeurd die staatsteun voorzag voor werkkampen van katholieke en socialistische jeugdorganisaties voor jonge werklozen.

Een tweede poging om een arbeidersdienst te installeren werd ondernomen na de wapenstilstand in 1940. Zowel aan Waalse als aan Vlaamse zijde waren er initiatiefnemers, onder wie in Vlaanderen Dolf Gillis, Pim Persijn en Jef Goethals. Dit resulteerde op 11 september 1940 in de erkenning van de "Nationale Arbeidsdienst" (NAD) of de "Service National du Travail".

Eind november 1940 werd met behulp van het Commissariaat Generaal voor 's Lands Wederopbouw de 'Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen' of de VAVV opgericht en een evenwaardige Waalse afdeling, 'Service Volontaire du Travail pour la Wallonie' of SVTW. Beide diensten werden onder één bestuur te Brussel geplaatst (Van der Auwera 2001-820: 5-10).

De VAVV stond onder het beheer van het ministerie van Arbeid en het Commissariaat van Wederopbouw. Renaat Van Thillo werd arbeidsleider. In de Waalse afdeling werd Henri Bauchau hoofdleider. De ledenwerving gebeurde via informatiezittingen in diverse gemeenten over heel Vlaanderen. Vrijwilligers moesten achttien jaar oud zijn en verbonden zich voor een diensttijd van zes maanden. Hun taak bestond er voornamelijk in gronden te ontginnen en te veredelen, dijken te bouwen en te beveiligen en waterlopen te verbeteren en aan te passen. Enkele keren werden de manschappen ingezet bij rampen of na bombardementen. Vriendschapsbanden en onderlinge sociale contacten tussen de kampleden behoorden eveneens tot de doelstellingen van de VAVV.

Sommigen die in dienst traden bij de VAVV werden door hun Vlaams idealisme gedreven. Anderen werden aangetrokken door een leven van sport en training in een uitgesproken Vlaamse gemeenschap. Nog anderen hadden minder idealistische motieven en traden toe wegens de beloofde voorkeursbehandeling bij de aanwerving in openbare diensten of Vlaamsvoelende bedrijven. Nog een groep zag in de VAVV een middel om aan de verplichte arbeid in Duitsland te ontsnappen.

Het eerste mannenkamp werd geopend op 30 januari 1941. Later dat jaar werden nog een tiental andere kampen geopend. Op 1 oktober 1941 werd besloten tot de oprichting van een afdeling 'Vrouwelijke Jeugd' binnen de VAVV en werden aansluitend verscheidene vrouwenkampen opgericht.

In augustus 1941 werd de VAVV overgeheveld naar het ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid, waarvan Gerard Romsée secretaris-generaal was. Hieronder ressorteerden zowel de VAVV als de SVTW, elk met hun eigen leiding en staf.

De activiteiten van de VAVV beperkten zich niet louter tot zware handenarbeid. Ook optochten, défilés met vendels, sportfeesten, zangfeesten, opendeurdagen in de kampen en concerten van de muziekkapel behoorden tot hun bezigheden (Van der Auwera 2001-822).  

 Het VAVV raakte verzeild in het politieke getouwtrek tussen VNV-gezinden enerzijds en SS-gezinden anderzijds.

 Aanvankelijk oefende het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen (Verdinaso) invloed uit op de VAVV. Vele dinaso's bezetten staffuncties in de arbeidsdienst en de kaderschool van de VAVV werd "opleidingskamp Joris van Severen" genoemd. Maar de grootste aantrekkingskracht kwam vanuit het Vlaamsch Nationaal Verbond (VNV) en in mindere mate van het Nationaal Socialistische Jeugd in Vlaanderen (NSJV). Het was via secretaris-generaal Gerard Romsée, van wie de VAVV afhing, dat het VNV zijn greep op de VAVV wenste te vergroten.

Hoewel hoofdleider Van Thillo steeds had geprobeerd om de samenwerking met het VNV en NSJV te beperken, vatte hij midden 1942 onderhandelingen aan met beide organisaties. Dit met het oog op extra VNV-mankracht. De onderhandelaars waren directeur-generaal binnenlandse zaken F. Van Bouwel, Ernest Van den Berghe (VNV) en Remi Piryns (NSJV). De toenadering tussen het VNV, NSJV en VAVV draaide uit op een samenwerkingsakkoord. Door deze onderhandelingen begon het VNV een werfcampagne waardoor heel wat van hun leden toetraden tot het VAVV-kader. Maar het VNV kreeg geen greep op de VAVV want Van Thillo hield, ondanks het samenwerkingsakkoord, het VNV op een afstand en voer een onafhankelijke koers. Hij werd hierbij gesteund door de machtige Reicharbeitsführer K. Hierl, die aan het hoofd stond van de RAD en die op zijn beurt een politiek bondgenoot was van de Reichsführer SS. Hierl, die totaal andere plannen had met de VAVV, wilde de vrijwillige arbeidsdienst omvormen tot een algemene verplichte arbeidsdienst voor de Vlamingen.

Ondertussen nam de invloed van de Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap (De Vlag) en SS binnen de VAVV toe. De VNV'ers binnen de VAVV protesteerden en de relaties tussen beiden bekoelden nog meer.

Romsée probeerde intussen zijn invloed binnen de VAVV te laten gelden en eiste inspraak in alle belangrijke aangelegenheden en controle over alle benoemingen en bevorderingen. Hij bleef er evenwel van overtuigd dat de arbeidsdienst op vrijwillige basis maar zou slagen met de steun van het VNV.

Het gevolg van deze openlijke machtsstrijd was dat de werving binnen de VAVV stokte. De arbeidsdienst trachtte de werving tijdelijk opnieuw te stimuleren door universiteitsstudenten aan te trekken, die van maart 1943 af door de verplichte tewerkstelling in Duitsland waren getroffen en die door het vervullen van twee dienstperioden van zes maanden bij de VAVV daaraan konden ontkomen.

De standpunten van éénieder waren onverzoenlijk en Romsée besliste in april 1944 om de VAVV te ontbinden.

Eind april 1944 werd de VAVV opnieuw opgericht en omgevormd tot een vzw, de Vlaamse Arbeidsdienst (VAD), die afhing van de RAD. Van Thillo en Hierl hadden het pleit gewonnen. Ondertussen gaf Hendrik Elias, leider van het VNV, de VNV'ers in de VAVV het bevel ontslag te nemen en niet bij de weer opgerichte VAVV aan te sluiten. Een deel weigerde en werd ingezet bij de RAD, sommigen in kampen met Duitse manschappen, anderen in volledig Vlaamse kampen.

In september 1944 week Van Thillo met wat van de VAVV was overgebleven naar Duitsland uit. Daar kondigde de Vlaamsche Landsleiding van Jef van de Wiele, waarin Van Thillo werd opgenomen als arbeidsdienstleider, nog een arbeidsdienstplicht af voor de Vlamingen in Duitsland voor de jaarklassen 1924-1927. Na de bevrijding werden de leden van de VAVV vervolgd wegens collaboratie (De Wever 1998-1111 ; De Wever 1994-165). 

Na de oorlog hielden de oud-leden van de VAVV verscheidene bijeenkomsten. Ook een deelname in 1962 aan het Vlaams Nationaal Zangfeest, waarbij oud-leden een opmars met spade nabootsten, was een herinnering aan het 'oude ideaal'. Het jaar daarop, in 1963 begon men opnieuw met de uitgave van het tijdschrift, 'De Nieuwe Arbeidsman'. De jaarlijkse bijeenkomsten werden verder gezet met academische zittingen, herdenkingsplechtigheden en feestmalen (De Nieuwe Arbeidsman-1117 ; Collectie ADVN/DA-28/169(13) ; Van der Auwera s.a.-1108).

 

Structuur

Het hoofdkwartier van de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VAVV) was gevestigd in Antwerpen. De 'Staf' werd hier gehuisvest en omvatte zeven diensten of departementen, die elk onderverdeeld waren in afdelingen en secties, en gevormd werden door referenten en leiders.

De 'Dienst voor Beheer' van de VAVV omvatte de boekhouding (alle financiële en budgettaire aangelegenheden), de uitrusting en de bevoorrading, de magazijndienst en de 'tuigdienst'. De materiële verpleging en de soldijen werden vanaf 1942 afzonderlijk ondergebracht in een gebouw in de Simonsstraat.

De 'Dienst voor Organisatie' hield zich bezig met de algemene organisatie van de arbeidsdienst en van het leven in de kampen. Van elke werkkracht werden de gegevens verzameld en bijgehouden in een steekkaartenbak die kon worden geraadpleegd in het hoofdkwartier. Binnen deze dienst bestonden ook enkele afdelingen, waaronder werving, straf- en rechtswezen, die later werden omgevormd tot zelfstandige diensten.  

De 'Dienst voor Werken' stond in voor de studie en uitvoering van de werken en het materiaal. Plantekenen en grondonderzoek behoorden tot de taken van de staf.

De 'Dienst voor Kader en Personeel' verzorgde de opbouw van het arbeidsdienstkader.

De 'Dienst voor Algemene Opleiding' stond in voor de fysieke en intellectuele training van de manschappen uit de kampen. De intellectuele vorming omvatte sociale en politieke opleiding en vrije tijd, de fysieke vorming bestond uit lichamelijke opvoeding en ordeoefeningen. De opleiding werd op het hoofdkwartier samengesteld.

De 'Gezondheidsdienst' omvatte voornamelijk geneeskundige verzorging en het toezien op de algemene hygiëne en op de fysieke toestand van de manschappen in de kampen.

De 'Dienst voor Propaganda (DPG)' had drie afdelingen; de 'Afdeling Voorlichting' die over het hele land bedrijvig was, de 'Afdeling Pers' die de uitgave van het maandblad "de Arbeidsman" verzorgde en de 'Afdeling Illustratie'. Tot de propagandadienst behoorde een waaier van activiteiten: aanwerving en reclame, het verzenden van propagandamateriaal, het opstellen van toespraken, het verdelen van voedsel, het opmaken en verspreiden van affiches, het onderhouden van contacten met pers en radio, het ontwerpen van uniformen, het populair maken van de Arbeidsdienstliederen en het onderhouden van de muziekkapel.

In het hoofdkwartier werden eveneens alle zaken geregeld omtrent arbeidsplanning, dat werd onderverdeeld in een buitendienst, een studiedienst, een technische dienst en de arbeidscontrole (Van der Auwera 2001-822: 43-47).  

De VAVV werd verder uitgebouwd in arbeidskampen, arbeidsgroepen en arbeidsgouwen. 

  • Het arbeidskamp, de basiseenheid van de VAVV, was een zelfstandig orgaan met een eigen bezetting, administratie en werkopdracht. Het kamp stond onder de leiding van een kampleider of een hopman en zijn staf. De staf bestond onder meer uit een beheerder, 'hofmeester', 'tuigmeester' of timmerman, 'gereimeester' of kok, kleermaker, schoenmaker, verpleger en haarkapper. Het kamp werd onderverdeeld in drie of vier arbeidsscharen. De eerste arbeidsschaar stond onder het bevel van een opper-veldmeester, de plaatsvervanger van de kampleider. De tweede arbeidsschaar werd aangevoerd door een veldmeester en de derde en vierde scharen hadden elk een onder-veldmeester. Elke arbeidsschaar bestond uit drie ploegen geleid door een ploegleider. In elke ploeg waren er twee arbeidskernen van vijf arbeidsmannen met één voorman. Het beheer van het kamp werd waargenomen door een kwartiermeester.
     
  • De arbeidsgroep kon vijf à zes arbeidskampen omvatten en stond onder de leiding van een arbeidsleider en een opperarbeidsleider of een arbeidsoverste.

  • De arbeidsgouw bestond uit vier tot vijf arbeidsgroepen en stond onder leiding van een arbeidsoverste of een generaal arbeidsleider en een arbeidsgouwstaf (Wat is de Vrijwillige Arbeidsdienst [1941]-1110: 22-23).

Toekomstige kampleiders werden opgeleid in de ploegleidersschool 'Joris Van Severen', opgericht te Brecht op 14 maart 1941, en de veldmeesterschool 'Cyriel Verschaeve', te Iepenburg. Ze werden er 12 weken geschoold in technische opleiding, dienstregeling, vaderlandse geschiedenis, sociale en politieke opleiding, lichamelijke opvoeding, muziek, arbeidsidee, kunst en letterkunde. De opleiding bestond uit verschillende facetten en was bedoeld om de leerlingen meer inzicht te doen krijgen in het uitoefenen van hun toekomstige functie (Van der Auwera 2001-822: 51-55).

Men kon de graad van ploegleider en onder-veldmeester behalen na vijf weken opleiding. Na dienststijd konden VAVV'ers voorrang krijgen bij aanwervingen in openbare dienst en bij werkgevers die aangesloten waren bij het VEV (De Wever 1994-165). 

De mannelijke kandidaten die zich meldden als werkkrachten voor de arbeidskampen moesten minstens 18 jaar oud zijn en bereid zijn zich voor een periode van 6 maanden diensttijd te verbinden. Een goede gezondheid, een getuigschrift van goed gedrag en zeden en een schriftelijke toelating van ouders of voogd behoorden eveneens tot de voorwaarden. Na een opleiding van 14 dagen in het wervingskamp in Mortsel werden de vrijwilligers opgenomen in de arbeidsgemeenschap van een bepaald kamp. De werkopdrachten bepaalden de locatie van het kamp dat meestal nabij een dorp was gelegen. De taak van de jonge mannen was gronden ontginnen en veredelen, dijken bouwen en beveiligen, waterlopen aanpassen en verbeteren en occasioneel hulp bieden bij rampen of bombardementen. De zware arbeid had ook tot doel jongelui uit alle lagen van de maatschappij met elkaar te leren omgaan en elkaar te leren waarderen (Van der Auwera 2001-820). De diensttermijn kon op aanvraag hernieuwd worden. De arbeidsmannen werden voorzien in hun onderhoud en kregen een uniform, een werkpak en een sporttenue. Elk van hen kreeg een dagelijkse soldij van drie à vijf frank uitbetaald. Gehuwden ontvingen nog een extra vergoeding (Wat is de Vrijwillige Arbeidsdienst [1941]-1110). 

In 1943 werd er binnen de VAVV een muziekkapel opgericht die voornamelijk werd gebruikt voor propaganda doeleinden. De muziekkapel werd ingezet om feesten, optochten en manifestaties op te luisteren.

 

Kwantitatieve gegevens

Het aantal mannen dat gedurende het bestaan van de VAVV zes maanden dienst deed, werd geschat op 6000. De leiding, omvattende de staf en de leiders, telde een 600-tal personen.  

Hierna volgt een overzicht van de mannenkampen die werden opgericht en benut tussen 1941 en 1944. 

  • Het kamp Maxburg, bij Meer, werd als eerste werkkamp opgericht op 30 januari 1941 en telde in totaal 238 deelnemende mannen. Het stond model voor de verdere oprichting van de andere kampen. De opdracht beperkte zich voornamelijk tot ontbossing. 
  • Het kamp Steynhoeve, bij Schilde, was het tweede kamp dat werd opgericht op 10 februari 1941. De opdracht bestond uit het ontginnen van braakliggende grond en het verbeteren en uitbreiden van de waterlopen. 
  • Het werkkamp Nieuw-Westland, bij Zandvliet, werd opgericht in maart 1942. De opdracht die hier werd volbracht was het hoogtepunt van de VAVV-activiteiten. Tussen april en augustus 1942 bouwde men een Scheldedijk. Daarnaast was er ook nog het cultiveren van poldergrond en het onderhoud van wegen en afwateringskanalen. 
  • Het kamp Roosenberg, bij Waasmunster, kreeg de opdracht de dijken aan de Durme op te hogen.
  • Het kamp De Maat, bij Mol, dat werd opgericht op 16 juli 1941 kreeg de opdracht gronden te ontbossen voor aardappelteelt. 
  • Het kamp Baudeloo, bij Klein-Sinaai, had de opdracht waterlopen in Sinaai te herprofileren en in te dijken. 
  • Het kamp De Velp, bij Diest, moest waterlopen en grachten in Halen ruimen. 
  • Het kamp Groenhove, in Torhout, dat werd opgericht op 10 april 1941, had de opdracht braakliggende gronden te ontginnen. 
  • Het kamp Holven, bij Overpelt, werd opgericht op 28 augustus 1941. De werkkrachten werden ingezet bij het graven van afwateringsgrachten. 
  • Het kamp Wachelbergen, bij Wuustwezel, werd opgericht op 21 juli 1941 en moest instaan voor de herprofilering van waterlopen; voornamelijk het uitbaggeren van grachten en rivieren. 
  • Het kamp Vengoed, bij Waarschoot, had de opdracht erkende waterlopen op grongebied Waterschoot opnieuw te profileren. 
  • Het kamp Branheide, bij Bornem, moest waterlopen in Bornem ruimen. 
  • Het kamp Heuvelheide, bij Lommel, kreeg de opdracht braakliggende gronden om te ploegen en beboste gronden te ontginnen (Van der Auwera 2001-820: 25-60). 
  • Er waren ook nog kampen gevestigd bij Eeklo, Watervliet, Bellem ('Kraenpoel') en Bokrijk ('Winterslag') (De Schepper 1991-1107 ; De Arbeidsman-1116). 

 

De bezoldiging van de kaderleden verschilde fors van die van de arbeidsmannen. Arbeidsmannen kregen een soldij van 3 tot 5 frank per dag. Ploegleiders en hofmeesters, daarentegen, kregen per dag 20 frank, kwartiermeesters ontvingen 25 frank per dag en onder-veldmeesters en schaarleiders hadden 30 frank per dag. Gehuwden kregen een supplement, bij de leiders was dit 15 frank per dag (Wat is de Vrijwillige Arbeidsdienst [1941]-1110).

 

Verwante organisaties 

  • stichter van Vrijwillige Vrouwelijke Arbeidsdienst voor Vlaanderen (1941-1944), 1 oktober 1941
  • heeft als onderdeel Vrijwillige Vrouwelijke Arbeidsdienst voor Vlaanderen (1941-1944), 1 oktober 1941

 

Verwante personen

  • voorzitter (arbeids(dienst)leider): Van Thillo Renaat (1901-1989), 1940 – april 1944
  • ondervoorzitter (arbeidsoverste, adjudant): Raeymakers P.A., 1941
  • penningmeester: Gravez Hilaire (1889-1974), 26 april 1944
  • propagandist (diensthoofd van de dienst voor propaganda): Goethals Jef (1913-1973), 1941
  • werkend lid (kampleider kamp 'Roosenberg' (Waasmunster)): Rombaut Hugo, 1941 - 1944
  • werkend lid (schaarleider kamp 'Maxburg' (Meer), vervangend kampleider): Beyens Lode, 30 januari 1941
  • werkend lid (kampleider kamp 'Maxburg' (Meer)): Van den Bogaert Albert, 30 januari 1941
  • werkend lid (kampleider kamp 'Baudeloo' (Klein-Sinaai)): Strauwen Gaby, 1942
  • werkend lid: Dirks Frans (1921-2001)
  • werkend lid: Sommen Herman (1922-2003)
  •  

Kort bronnenoverzicht

Historisch overzicht (Van der Auwera 2001-820) ; historisch overzicht (Van der Auwera 2001-822) ; vermelding en korte schets (De Wever 1998-1111) ; vermelding en korte schets (De Wever 1994-165) ; organisatiestructuur (Van Caeneghem 1967-827) ; organisatiestructuur (Wat is de Vrijwillige Arbeidsdienst [1941]-1110) ; organisatiestructuur (Ilegems 1940-1112) ; kwantitatieve gegevens (De Arbeidsman-1116) ; profiel (Collectie ADVN/DA-28/169(13)) ; profielschets (De Wever 1998-1111) ; schets hedendaagse VAVV (Collectie ADVN/DA-28/169(13) ; schets hedendaagse VAVV (Van der Auwera s.a.-1108) ; schets hedendaagse VAVV (De Nieuwe Arbeidsman-1117)  

 

  1. Kamp Baudeloo 

Organisatie van een kamp


 Zie organigram

Namen 

Waar 

Foto’s

 

  1. Memoires van een arbeidsman 

Aldus opgenomen in de elite, werd ik aangesteld tot Ploegleider in het Kamp Baudeloo te Klèn Snoâ, zijnde Klein-Sinaai nabij de Nederlandse grens.
Klèn Snoâ, een vreedzaam vlek, in landelijke wanorde aaneengemetseld rond een stationnetje langs het enkel treinspoor tussen Stekene en Moerbeke. Naast zijn enkele herbergen bood het slechts één bezienswaardigheid: Kamp Baudeloo, het allerlaatste snufje op 't gebied van Arbeidsdienstkampen in Vlaanderen, en zijn tweehonderd en oneffen bewoners.

Het werkobject van Baudeloo lag op een uur gaans van 't kamp en strekte zich uit over ettelijke kilometers: het omvatte de aanpassing en verbetering der irrigatie van de streek. Van al wat de VAVV in Vlaanderen ooit verrichtte, is dit object het énige dat niet, na de bevrijding, vernield of verwaarloosd werd, denkelijk omdat het Waasland minder steenezels kweekt dan de rest van den Belgiek.

Baudeloo was belegd met studenten. In die jaren mocht je pas op de universiteit nadat je eerst zes maand arbeid had verricht; ook eerstejaarsstudenten moesten dat doen alvorens ze hun studies konden verder zetten. Dergelijke maatregel kon niet anders dan ten goede komen aan de studenten zelf, aan hun latere bekwaamheid en zodoende aan de gemeenschap. Deze arbeidsplicht werd dan ook in zeer brede kring erkend als nuttig en nodig; weshalve, eens het grondgebied gezuiverd van den overweldiger; zij als fascistisch werd gedoodverfd en de verantwoordelijken ervoor werden in 't prison gestopt.

Toen het nog niet zo ver was, mochten de studenten kiezen: zes maand ofwel in Duitsland als 'Fremdarbeiter'; of we hier te lande, als een soort stagiair, in handel of industrie, met alle achterpoortjes en foefelarij die dat inhield; ofwel – en dat koos onmiskenbaar het betere deel der opgeroepenen - als Arbeidsman in de VAVV.

Voor de VAVV zelf betekende dit een riskant experiment, waar men wat schuw tegenover stond. Tot dan toe had men onder de spade slechts volontairs gekend, die het deden uit overtuiging en die trouwens, als het hen tegenviel, van onder het vaandel konden vluchten zonder enige sanctie te riskeren.

Nu kwamen, in relatief groten getale, semivrijwilligers op, van wie men vermoedde dat zij al tot de intelligentsia behoorden. Men vreesde dat een deel van ons kader tegen al deze feniksen niet op zou kunnen, met alle gevolgen van dien voor de discipline en trouwens voor het uiteindelijk doel van de arbeidsplicht.

Vandaar dat, wanneer in zo'n kamp een tweehonderd van deze studenten werden binnengestoken, de Kampleider en zijn kader er vrij nerveus bij liepen. Zo ook op Baudeloo. Aangevoerd door twee Ploegleiders van onze Dienst voor Werving, overstroomde een horde joelende snaken, meestal getooid met de studentenpet, Klèn Snoâ en werd bijeengedreven op 't aantreedplein van Baudeloo.

De Kampleider had ons, zijn kader, op een urenlange 'briefing' vergast en ons op 't hart gedrukt dat wij 1) in geen discussies met de manschappen mochten trappen; 2) moesten overtuigd zijn van 't geestelijk overwicht der schachten en daarom alle initiatieven schuwen; 3) enkel strikt het dienstreglement moesten toepassen en, mocht dat ontoereikend blijken, een beroep doen op hemzelf, de Kampleider; en 4) vooral geen sarcasmen mochten ten beste geven, omdat dit intellectuelen zou kunnen kwetsen en ze zodoende innemen tegen de VAVV.

Natuurlijk was dit, hoe goed ook bedoeld, allemaal fout. Het voedde enkel de zelfoverschatting der studentjes en maakte dat zij, althans in de eerste dagen, meenden dat zij de gevestigde 'dienstkloppers' eens even mores zouden gaan leren. Maar alras bleek: het is niet omdat men universitair is of wil worden, dat men noodzakelijk een man moet zijn van enige allure. Het revolutionair elan bij onze schachten was door de VAVV wreed overschat. Na dagelijks twaalf uur dienst, marcheren, zingen, wroeten in de grachten, corvee, sport, dril en onderricht, bleek heel onze troep, studenten of niet, zo mak als lammetjes. De knapen werden trouwens allerminst slecht behandeld, en velen onder hen herinneren zich met genoegen bun diensttijd bij de VAVV. Immers, niet iedereen in Vlaanderen is zoals de baardige Vensterman van Humo, die - zegt hij - met afschuw terugdenkt aan dele mensonterende zes maand, wellicht omdat hij werkelijk een intellectueel is. Of ligt de oorzaak elders? Was hij misschien reeds toen, onder het vaandel met de korenaar, anarchist?

 

Andermaal verworpen

De Baudelose Kampleider, Veldmeester Nuvaerts, was een harde werker, een ernstig man, zeer plichtsbewust, overtuigde nationalist, en, bezeten van de begeerte om van zijn kamp de parel van de VAVV te maken. Dat kon hij enkel door het zijn onmiddellijke overste, de Groepleider, naar de zin te maken. Onvermijdelijk diende hij dus de onderrichtingen van de Groep minutieus na te leven en uit te blinken door een heidense verafgoding van het Reglement. Niemand, immers, kon Reglementen fabriceren zoals onze Groepleider, Hopman Pruys. 

Napoleon die, zoals men weet, naast dingen als onze huidige jurisprudentie, ook het aantal knopen en tressen op een huzarendolman in wetten goot, was, vergeleken bij onze Groepleider, een slordige losbol zonder enige zin voor het detail. Hopman Pruys bleek niet alleen de vader van het Reglement, hij was er ook de zoon van en achtte er zich zelfs mee getrouwd. Deze kanselarij-incest stoorde hem geenszins, vermits hij tevens het Reglement zèlf geworden was. Voor Nuvaerts was het, in die omstandigheden, geen lach om te trachten de degelijkste Kampleider in Vlaanderen te zijn; toch volhardde hij in vlijtig pogen, en dus vergalde hij zijn dagen door alles op Baudeloo zelf en eigenhandig te willen doen, in de overtuiging dat het anders niet goed gedaan zou zijn. Geletterd en intelligent, snapte hij van meet af dat een lichtzinnigaard als ik, die bovendien meende zelf ook stielman te zijn, hem niets anders kon opleveren dan nog méér last, kommer en zorg dan hij zich reeds op de nek had gehaald. Wanneer zijn blik viel op mijn persoon kon hij dan ook nauwelijks een grimas van weerzin bedwingen; en uit de luttele woorden die hij, wegens dienstnoodzaak, tot mij richtte, bleek, tussen de regels, zijn zelfbeklag, omdat men hem met een zo schabouwelijk exemplaar van Ploegleider had gestraft.

Moedwillig als ik was, diende ik met tegenzin onder een meerdere die mij toch niet waardeerde, en reeds na enkele dagen op Baudeloo besloot ik dat ik de man niet kon luchten. Daarin had ik ongelijk, want achteraf is gebleken dat Veldmeester Nuvaerts een man is uit een stuk, die alle waardering verdient.

 Maar toen, op Baudeloo, meende ik nog er anders te mogen over denken. Conflicten bleven dan ook niet uit, en uiteraard trok ik daarbij aan 't kortste eind. De technische leiding der werken berustte er bij Onvdm. Quartoon, een man met ervaring, nogal wat ouder dan wij, die in zijn uniform rondliep als ware hij een Russisch moesjik, en die vierkant zijn hakken veegde aan wat wij allen verstonden onder houding en stijl. Mijn ploeg moest bomen hakken en laden. Toen het gespan, dat de kar moest trekken, om een of andere reden niet kwam opdagen, beval Quartoon mij mijn zestien man in de boomkar te spannen en ze twee uur ver naar onze werf toe te zwepen. Beducht dat de dorpelingen niet weinig zouden lachen om zo'n cavalcade, weigerde ik beslist. 'Zal ik ze misschien nog Hoog Op De Gele Wagen laten zingen??' riep ik woedend. 'Da's 'n goei, begot,' zei Quartoon en hij slingerde mij op bet rapport wegens bevelweigering.

Kampleider Nuvaerts was van zins mij, vanuit VAVV-standpunt, in 't gelijk te stellen; maar wat schampere commentaar, welke ik meende ter zake te moeten ten beste geven, maakte dat hij mij vier dagen kwartierarrest gat.

 Nabij bet station werd herberg gedreven door een koppel met een dochtertje, aan wie vrij uitgebreid de zorg voor de tap overgelaten werd. Het kind was amper zestien, maar door de natuur allerminst misdeeld en, ondanks haar jeugd, zich wel bewust van de belangstelling die zij, als zeldzaam exemplaar te Klèn Snoâ, ontstak in tweehonderd, bloeiende Arbeidsmannen.

Verworpen als ik mij voelde, nam ik de gewoonte aan troost te zoeken aan haar tapkast en enige suspense te verlenen aan mijn droef bestaan, door een ieverige concurrentie met alle anderen die om haar gunsten wierven. Zoals deskundigen ter zake weten sinds dezekestijd, komt het er in zo'n geval op aan alleen aan de tapkast te geraken, terwijl de mededingers elders geroepen zijn. Ondervinding in onze dienst, zowel als boze inborst, hielpen mij om geregeld te slagen in 't verwezenlijken van dit doel. Zo stond ik, op een voor mij vrije namiddag, eens de jonge schone allerlei wetenswaardigs in te fluisteren. Ter opluistering leek het zoeken naar wat langoereuze muziek op de radio gepast. Dit apparaat rustte op een schap in de keuken achter de herberg. De jonge tapster verhief zich op de tenen en ging met geheven armen aan 'beide knoppen van de radio staan draaien. Galant, stond ik, een kop groter, achter haar en hielp haar bij deze taak.

Wel ja, het zag er echt helemaal anders uit dan het in feite was. Vooral voor de vader der schone, die ontijdig thuiskwam, mij onder een resem onvervalste Wase vloeken zijn etablissement uitjoeg, briesend op de fiets sprong en zijn beklag ging maken bij onze Kampleider, hoeder der zedigheid van zijn gevolg. Het kostte mij. vier dagen kamerarrest. Verongelijkt vroeg ik om overgeplaatst te worden naar een ander kamp. Maar Vdm. Nuvaerts zag het wel enigszins anders. 'Gij blijft hier bij mij, Ploegleider,' zei hij beslist, 'tot gij weer simpel Arbeidsman zijt.'

 En bovendien had hij intussen voor mij ook nog wat anders in 't vat. Op Baudeloo waren ook een dozijn Veldmeesters Op Proef gelegerd. Ons Hoofdkwartier had nood aan specialisten, vooral voor de intendance, en trachtte vaklui aan te trekken, die bij contract direct Veldmeester zouden worden na een opleiding van drie maanden als gewoon Arbeidsman, om tenminste enige notie te krijgen van zeden en gebruiken van

't korps dat zij zouden gaan sieren.

 Wij, doorgewinterde opklimmers langs de stage ladder van alle dienstgraden, hadden met deze Veldmeesters Op Proef niet veel op; en 'O.P.' gold bij ons als scheldwoord. Vdm. Nuvaerts vertrouwde mij de opleiding van ons dozijn O.P.'s toe hopend dat, mocht hij er niet in slagen de VAVV van mij te verlossen, ik in heel mijn verdere loopbaan uit gerechte wraakzucht zou vervolgd worden door deze rekruten, die over drie maand mijn meerderen zouden zijn. Het was een perfied plannetje, dat getuigde van de intelligentie van Vdm. Nuvaerts; maar het pakte niet. Ik teisterde de O.P.'s wel degelijk zo wreed dat het hun lang bleef heugen, maar zich daarover wreken hebben zij nooit gedaan. Integendeel. Enkelen onder hen vlogen, een jaar later, nog steeds instinctmatig in de houding wanneer ik, hun ondergeschikte, in hun blikveld verscheen.

 

Een arbeidsdienst-orgie

De zaken werden er niet beter op toen Baudeloo een 'Open Dag' hield: het Lentefeest ten gerieve van verwanten onzer Arbeidsmannen en sympathisanten van de VAVV.

Van het Hoofdkwartier rukte de Dienst voor Propaganda aan met stapels plotjes, een micro en een DJ avant la lettre. Baudeloo zelf voerde gevarieerd spektakel op en trachtte door tentoonstelling en exhibities een beeld te geven van 't dagelijks leven van de Arbeidsman.

Op algemene vraag der collega’s werd ik aangeduid als mederegisseur der feestelijkheden. Ik deed warempel wreed mijn best en, omdat ik dacht er zelf ook wat lol te mogen aan beleven, knutselde ik een levensgrote pop aan elkaar die, in een werkpak gestoken, op een krukje in 't halfduister van ons cachot werd geplaatst.

Slechts meesmuilend had Kampleider Nuvaerts zijn zegen gegeven aan dit uitvindsel. Het oogstte nochtans een opmerkelijk succes. Honderden moeders, zusjes en lieven verdrongen zich voor bet tralievenster van bet cachot om vluchtig de arme arrestant te zien die roerloos zat te staren op een korst brood en een teiltje water.

De Arbeidsman, met de spade op wacht voor 't cachot, was een uitgelezen komediant. Op de vele vragen antwoordde hij dat de gevangene onze Kampleider bijna had vermoord en derhalve gevaarlijk was. Desondanks vloeide menige traan over zijn lot, en meer dan één vrouwspersoon diende even te bekomen nu zij zich zo dicht bij de misdaad had gewaagd.

Bekomen, dat kon in de refter en de kantine. Onze Hofmeester Leo, een waar genie, had het klaargespeeld alle gasten twee maaltijden aan te bieden zonder bonnetjes: in 1943 een waar meesterstuk in het genre. En hij had ook gezorgd dat er voor een prikje dranken werden verkocht: malt-koffie, spuitwater, oorlogssuderans en... Elixir d' Anvers. Nachtelijke tochten over de grens en nuttige relaties in het nabije smokkeldorp Stekene hadden hem toegelaten een fikse voorraad van deze zoeterige foezel op te slaan, en het was er van voor de oorlog.

Een zestigtal Arbeidsmeisjes uit onze VJ-kampen Belsele en Destelbergen kwamen de service verzorgen in refter en kantine. Hun leidsters stelden paal en perk aan alle vrijagie, want tegenover de buitenwereld moest de indruk worden gewekt dat wij totaal ongevoelig waren voor de charmes der Arbeidsmeisjes en vice versa.

Maar ja, de lentestemming en de volksdans, die toch een onzer geloofspunten was, en het Elixir d' Anvers, in massa genoten door jongelui die aan geen drank gewoon waren: het maakte dat tegen de avond aan de dingen ietwat uit de hand gingen lopen.

De enigen die geen deel mochten hebben aan de algemene euforie waren de zestien Ploegleiders van Baudeloo. Zij hadden dienst, en Kampleider Nuvaerts had ze bevolen orde en tucht te handhaven. Tegenover de losgelaten bende Arbeidsmannen, Arbeidsmeisjes en jonge gasten geraakten wij zienderogen machteloos.

Eregasten waren Hopman Pruys, propagandachef Algoet en nog wat gesternte. In het Leiderskwartier dreven zij met geestdrift het Lentefeest ten top. Opvdm. Algoet redevoerde er in vier talen wat, aan wie hem kende, bewees dat hij dik in de olie zat. Groepleider Pruys verkeerde in nog kennelijker staat, en de gastheer, Kampleider Nuvaerts, vermoeid en zeker niet tegen het Elixir bestand, was al sinds de nanoen buiten westen en lag zijn roes uit te slapen op zijn strozak.

Enkele initiatiefnemers onder onze studenten haalden de pop uit 't cachot, trokken ze een volledig uniform van de Kampleider aan, met laarzen, koppel, pet en al, sloegen ze de vlaggenkoord rond de kraag en trokken ze, te midden van vreugdedansen, in top aan de vlaggenmast.

Dan vormde heel de uitgelaten horde stoet, trok zingend naar 't Leiderskwartier en scandeerde daar: 'Wij willen onzen Hopman zien! Wij willen onzen Hopman zien!!!' Hopman Pruys trad voor en wierp een wazige blik over de joelende schare meisjes en knapen. Een zalige lach trok open onder zijn dienstpet; de Hopman stak stoer de rechterarm in de lucht en riep met machtige stem: 'Houzee! Houzee! Doe voort, Kameraden!!!

Gesterkt door 't bevel der hoge overheid, deden Arbeidsmannen en -meisjes op de reeds bezige feestelijkheden onmiddellijk een flink schepje bovenop.

Om de schade te beperken, konden wij, Ploegleiders, niet anders dan in 't duister de Arbeidsmeisjes bij elkaar drijven nabij het wachtlokaal en er als schapershonden rond lopen ijsberen onder honend gelach van onze troep die, van op afstand, de meisjes luid aanzetten tot rebellie. De vrachtwagen, die het vrouwvolk van Destelbergen diende huiswaarts te voeren, daagde tenslotte met grote vertraging op en van de helft onzer verantwoordelijkheid werden wij zodoende verlost.

De meisjes van Belsele moesten te voet weer naar hun kamp. Op aandringen hunner leidsters kropen een zestal vrijwilligers onder ons op de fiets en trapten, met een meisje voor en eentje achter, enkele malen het half uur naar Belsele door karspoor en hazenpad. Het was een zware, maar lieflijke vracht; en om vijf uur 's morgens viel ik doodmoe op mijn strozak neer.

Te zes uur werd Jan en Alleman, naar loffelijke gewoonte, op de proppen geblazen. Het kader slaagde erin, ondanks de algemene kater, heel het kamp te acht uur in de grachten te krijgen, waar de Arbeid (een zegen!) de gevolgen van het Elixir liet opgaan in zweet.

Wij, Ploegleiders, feliciteerden elkaar omdat wij de dreigende rebellie hadden kunnen fnuiken. Hoe groot was onze verbazing toen wij 's middags alle zestien op 't rapport werden geroepen om van Kampleider Nuvaerts te vernemen dat wij onze plicht hadden verzaakt en zomin orde hadden gehandhaafd als tucht.

Verslagen keken, mijn vijftien maats mij aan. En ik besefte dat ik mij andermaal diende aan te stellen als heldhaftig, maar dwaas. 'Hoe kunnen wij de tucht handhaven,' vroeg ik boos, 'als op de strozak van de Kampleider een zat varken ligt???

Wit van woede fixeerde Nuvaerts ons, één voor één. Dan ging hij erbij zitten. Afgrondelijke walg van deze boze wereld verspreidde zich ongebreideld over zijn gelaat. 'In orde,'zei hij, 'ge kunt gaan!' En ik zag dat mijn toekomst bij de VAVV al even rooskleurig werd als zijn teint.

 

Tussen de burgers der stad

Maar harde tijden gingen ook toen voorbij. De Baudelose Kampleider viel ziek en zijn dienst werd waargenomen door zijn kampadjudant, Veldmeester Aaimans. Dat was een fidele kerel: hij kende mijn vurig verlangen om van Baudeloo weg te komen en denkelijk was hij van mening dat mijn aftocht daar het gemiddeld peil van het kamp niet zou schaden. 'k zal je laten overplaatsen,' beloofde hij. 'Waar wil je naartoe?'

De vraag overviel mij plots, en tijd voor bezinning was er niet. 'Naar 't Hoofdkwartier, de Dienst voor Propaganda,' zei ik, zo maar; het was mij al gelijk: ik wou alleen maar van onder Kampleider Nuvaerts weg. De volgende dinsdag decreteerde het zoveelste 'Dienstbevel van de Leider' mijn mutatie naar Antwerpen.

Ik nam afscheid van de kameraden; ook van de jonge tapster te Klèn Snoâ, en verrijkte zodoende mijn bagage met een bidprentje van Sint-Antonius, op de rug waarvan met kinderlijke hand geschreven stand 'Tot eeuwig aandenken van M.D.P. die in tranen achterblijft'.

Geroerd door zoveel trouw, stond ik met mijn koffer op 't perron. De motortrein kwam er aan over 't enkel spoor; en vooraan, naast de geleider, zag ik de hoge silhouet van Kampleider Nuvaerts, die terugkwam uit ziekteverlof. 'Als hij mij ziet, moet ik mee terug,' dacht ik, 'en hij laat mijn mutatie herroepen.' Ik stopte mij ijlings weg, kroop op de knieën naar de achterdeur van de trein en dook plat op mijn buik tussen de banken. Niet vergeefs. Want Nuvaerts stapte af, de trein trok op naar Moerbeke toe: ik was van Baudeloo verlost.

 

  1. Studenten volbrachten zes maanden arbeidsdienst 

Ook voor de studenten, die dit jaar hun arbeidsdiensttijd volbrachten in het arbeidskamp “Baudeloo” te Klein-Sinaai, was de dag aangebroken waarop ze het arbeidsdienst leven vaarwel moesten zeggen.

Dat er op dien dag, waarop ze voor altijd afscheid moesten nemen van een midden en een levenswijze waarmede ze zoo vertrouwd waren geworden, in het kamp een zeer speciale sfeer heerschte is vanzelfsprekend.

Als studenten-zonder-meer waren we voor zes maanden in “Baudeloo” toegekomen; als mannen die weten wat zware arbeid is, die weten wat een arbeider is, gaan ze terug naar de universiteit. Niet dat ze enkel maar hebben leeren werken; oneindig veel meer heeft de diensttijd hen bijgebricht. Hebben ze niet samengeleefd met jongens uit alle klassen en standen, en hebben ze niet geleerd er goede kameraden mede te zijn? In hun geest bestaat het begrip “klasse” niet meer en daartegenover hebben de woorden “volksgemeenschap” en “kameraardschap” weer beteekenis gekregen.

Wanneer de heele uitrusting grondig is schoongemaakt en ingeleverd, en ze weer allen in burgerpak staan, dringt het eerst ten volle tot hen door dat het nu “gedaan” is met hun arbeidsdiensttijd en ze weten niet goed of ze daar nu blij of treurig moeten om zijn. Het eindpunt wordt eerst gezet wanneer ze allen staan aangetreden voor de laatste toespraak van den kampleider. Met enkele kernachtige woorden wijst hij op het nut van hun diensttijd, op wat ze gedurende die zes maanden verworden hebben aan geestelijk en lichamelijk goed en vooral hoe ze er in geslaagd zijn zelf hun karakter te herkneden.

Tot slot een afscheidsgroet. Eén voor één ontvangen ze ui de handen van den kampleider het bewijs van zes maanden arbeidsdienst, een stevige handdruk, mannen kijken elkaar aan, er worden nu niet veel woorden meer verspild, ze kennen elkaar, weten wat ze aan elkaar gehad hebben, en dan gaat het voor ’t laatst, beladen met zware koffers en begeleid door de heele kampbezetting, naar het kleine spoorwegstation van Klein-Sinaai. Totdat de trein uit het zicht is verdwenen, word gewuifd.

Weer doorliepen enkele scharen jonge mannen de “school der natie”. Weer enkele scharen méér die morgen paraat staan om aan onze universiteiten dien geest van volksverbondenheid en dienst aan de gemeenschap te doen ingang vinden, eerste voorwaarde tot het vormen van een echt volksverbonden “elite van den geest”. 

 

  1. Manu Ruys 

De overheid had beslist dat wie na het voortgezet onderwijs wenste verder te studeren, eerst een volledig jaar in een fabriek diende te werken. Het enige alternatief was de toetreding tot de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VAVV), een organisatie, bij kaderwet opgericht door het Belgische ministerie van Binnenlandse zaken, die in de landbouw werd ingezet. In de motivering van de oprichters speelde ook mee, dat arbeid ten dienste van volk en land de jeugd geestelijk en lichamelijk kon opvoeden en het klassenonderscheid overbruggen. Een mooie motivering.

De VAVV werd opgevat in het perspectief van een nieuwe Europese ordening, maar was geen Duitsgezinde instelling. Bij de oprichting van de Waalse zusterorganisatie, le Service des Volontaires du Travail, werden aan het hoofd mannen benoemd, van wie de Belgische vaderlandsliefde geen twijfel liet, onder hen André Molitor, de later kabinetschef van koning Boudewijn. In de loop van de bezetting zou die Waalse dienst wel onder nationaal-socialistische en rexisistische controle komen, maar toen waren Molitor en zijn vrienden al lang vertrokken.

Het leiderskader van de VAVV was zeker niet anglofiel, maar de meeste ‘arbeidsmannen’ stapten niet in de arbeidsdienst uit sympathie voor de Nieuwe Orde, wel om niet in Duitsland of in een Belgische fabriek te worden tewerkgesteld. Tot maart 1944 ontsnapte de VAVV trouwens aan rechtstreekse Duitse bevoogding. Daarna werd hij opgedoekt en heropgericht als een Vlaamse afdeling van de Rechsarbeitsdienst, maar dan was het einde van de bezetting nabij en was ik geen arbeidsman meer.

In de zomer van 1943 had ik inderdaad de VAVV verkozen boven de fabriek.

Aan deze niet-onbelangrijke beslissing was uiteraard overleg met de jezuïeten voorafgegaan. Officieel weigerden zij enig advies te verstrekken. Het college leefde in angstige spanning, want het was ternauwernood ontsnapt aan opeising door de Duitsers. Op een ochtend hadden wij Duitse hogere officieren, samen met de Antwerpse onderwijsschepen, de bekende historicus prof. Rob van Roosbroeck, de speelplaats zien opstappen. Pater rector had de arrogante delegatie er slechts met veel moeite van kunnen overtuigen, dat de geïmproviseerde verhuis van ruim duizend leerlingen naar woningen elders in de stad veel herrie zou veroorzaken. De Duitsers hadden gezegd dat zij nog even wilden nadenken. Maar de paters waren op hun hoede gebleven en zouden de vertrekkende retoricaleerlingen in het publiek geen raad geven. Op zijn kamer, achter de dubbele deur, deed de rector dat natuurlijk wel.

Tijdens het aangevraagde onderhoud zei pater Marlier koeltjes – in eerdere gesprekken met hem had ik uiting gegeven aan wat hij ‘gevaarlijke en onchristelijke geloofstwijfels’ noemde – dat ik zelf diende te beslissen. “Wij hebben jullie leren nadenken. Gebruik je hersens’. Omdat hij een goed mens en een vurig flamingant was, voegde hij er minzamer aan toe: “Houd er rekening mee dat de buitenlucht gezonder is dan fabriekslucht. In de Arbeidsdienst ben je onder jongens, terwijl er in de fabrieken een onfrisse promiscuïteit heerst.’ Het was ignatiaanse diplomatie op haar best.

Tja, promiscuïteit. Wij hadden het woord nog gehoord. In de winter was Jef Deschuyffeleer, de 30-jarige propagandaleider van de Katholieke Arbeidersjeugd, onze retorica komen voorlichten over de zedelijke en lichamelijke gevaren die ons bij tewerkstelling in de fabriek of in Duitsland konden bedreigen. De joviale kajotter had zijn uiteenzetting plastisch geïllustreerd met dia-kleurbeelden van druipers en syfilisgezwellen, en dat had indruk gemaakt. Een paar jongens waren van hun stokje gegaan.

De medisch-venerische factor had nochtans niet de doorslag gegeven bij mijn beslissing. Ik wilde op het terrein ervaring opdoen met een nieuwe en eigentijdse vorm van maatschappelijk dienstbetoon. Dat leek mij boeiender dan op de loonlijst van een grauwe fabriek ingeschreven te staan. Ook mijn ouders dachten zo.

Dus stapte ik die eerste dag van augustus 1943 met een drietal retoricavriende de VAVV binnen. De grote meerderheid van onze klasgenoten had voor een fabriek in Antwerpen gekozen, om ieder avond comfortabel thuis te kunnen overleven en misschien ook om de gevaren van het volle leven te ontdekken.

Speelde bij ons de politieke motivering mee? Ik heb van die zes maanden VAVV een dagboek bewaard. Het is een mengsel van geestdrift voor de sportieve inzet, van bewondering voor een uitzonderlijk en uitdagend werkmilieu en van afkeer voor de pogingen van bepaalde kaderleden om de VAVV in te schakelen in de nationaal-socialistische ideologie. Het dagboek beschrijft een kampbevolking die verrre van homogeen was. Studenten leefden er met volksjongens, flaminganten naast anglofielen, zwijgende werkers naast lolbroeken en plantrekkers. Tot het lagere kader behoorde een strenge ploegleider, Rudolf van Moerkerke, van wie niets kon vermoeden dat hij later een tycoon van de toerisme-industrie zou worden. Onder de nederige arbeidsmannen liep een ascetische en doodongelukkige Willy Courteaux verloren. In andere kamen werkten de latere minister Frans van Mechelen en bij de meisjes, Puck Algoed, de toekomstige Vlaamsgezinde burgemeesteres van de Brabantse faciliteitengemeente Sint-Genesius-Rode.

Ik ga niet nader in op die winterse periode in de donkere bossen van het Waasland, tussen Klein-Sinaai en Koewacht, waar wij zwaar getraind werden en bij nacht en ontij en ijzige kou de ondermijnde dijken van de Moervaart verstevigden. Ik bewaar er heerlijke herinneringen aan. In kamp-Baudeloo ondergingen wij een soort van retraite, weg van de familie en van het stadsleven. Het had iets zuivers, irreëels, surrealistisch. In volle oorlogstijd leefden wij in een wereld van kameraadschap, zoals die nergens bestond in de ons bekende maatschappij. In de humaniora hadden wij over de Spartaanse mentaliteit geleerd. Het was een beeld van de Oudheid. Wij vermoedden toen niet dat we ooit iets vergelijkbaars aan den lijve zouden ondervinden. Dat het wel gebeurde, was een ervaring die mij is bijgebleven en waar ik graag aan terugdenk.

In februari 1944 was het jaar verplichte tewerkstelling half voorbij. De zes volgende maanden zorgden voor een stijlbreuk. Op het agrarische veldwerk sloor, verre van naadloos, de beslotenheid van het industriële atelier aan. Ik had de nazificering van de VAVV zien aankomen en wilde niet bijtekenen voor een nieuwe termijn van zes maanden. Dus werd het de fabriek in Antwerpen.

 

  1. Bibliografie

 Verwante publicaties

  • Uitgever van Ilegems, Emiel. Vlaamsche Arbeidsdienst. (1940) (mono grafie), 1940
  • Uitgever van Wat is de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen. ([1941]) (monografie), 1941

 Archivalische bronnen

  • bestand / archief: Archief Frans Van der Auwera. 1940-2002. 8 omslagen. (BE / 281008 / AC193)
  • bestand / archief: Collectie documentatiemappen. 1984-heden. 50 lopende meter. (BE / 281008 / DA)
  • bestand / archief: Collectie audiovisueel materiaal. 1984-heden. 40500 eenheden. (BE / 281008 / AV)

Werken

  • De arbeidsman : Maandblad van den Vrijwilligen Arbeidsdienst voor Vlaanderen onder leiding van Ir. René Van Thillo. - 1(1941/42) - 3(1943/44). - [S.l.]: [s.n.], 1941-1944. - 43 cm. - [1116]
  • De Nieuwe Arbeidsman. - 1(1963) - . - Borgerhout
  • Vlaamsche Arbeidsdienst : organisatie en doelstelling / Emiel Ilegems. - Antwerpen: Internacia, 1940. - 16 p. - 23 cm. - [1112]
  • De arbeidsdienst in Duitschland / J.B. Kenis. - Brussel: Steenlandt, 1941. - 61 p. : ill. - 21 cm. - [1119]
  • Wat is de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen. - [S.l.]: Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, [1941]. - 32 p. : ill. - 24 cm. - [1110]

datum onzeker

  • De Arbeidsdienst / Dries Bombeke. - Antwerpen: Adauperta, 1950. - 35 p. - 21 cm. - [1109]
  • Arbeidsdienst / red. Pol Van Caeneghem. - Antwerpen: Were Di, 1967. - 31 p. - 21 cm. - Were Di Jeugdbrief ; jg. 2, nr. 2. - [827]
  • Waar ons het Vaandel voert : memoires van een arbeidsman / L.H. Cotvooghel. - Brecht: De Roerdomp, 1981. - 194 p. - 21 cm. - [1113]
  • Wat zegt ons de Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen nog na 50 jaar? 1940-1990 / Frans Van der Auwera & F.H. Geens (sam.). - [S.l.]: Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, [1990]. - 33 p. : ill. - 30 cm. - [1114]

datum onzeker

  • Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen / Andries De Schepper (sam.). - [S.l.]: [s.n.], 1991. - 10 p. : ill. - 30 cm. - [1107]
  • Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945 / Bruno De Wever. - Tielt : Lannoo ; Gent : Perspectief Uitgaven, 1994. - 701 p. - 26 cm. - ISBN 90-209-2267-X. - [165]Roeland-De Korenaar, 1963-. - 28 cm. - [1117]
  •  
  • Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen (VAVV) / Bruno de Wever. - in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging / red. Reginald de Schryver, ...[et al.]. - Tielt : Lannoo, 1998 ; dl. 3, pp. 3594-3596. - [1111]
  • VAVV: De Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen, deel 1 / Frans Van der Auwera. - Erpe: De Krijger, 2001. - 94 p. - 24 cm. - België in oorlog ; nr. 29. - ISBN 90-5868-021-5. - [820]
  • VAVV: De Vrijwillige Arbeidsdienst Voor Vlaanderen, deel 2 / Frans Van der Auwera. - Erpe: De Krijger, 2001. - 96 p. - 24 cm. - België in oorlog ; nr. 30. - ISBN 90-5868-022-3. - [822]
  • Het Liedboek van den Vrijwilligen Arbeidsdienst voor Vlaanderen . - [S.l.]: Vrijwilligen Arbeidsdienst voor Vlaanderen, [s.a.]. - 55 p. : ill. - 21 cm. - [1118]
  • Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen : een terugblik op een tijd van idealisme en inzet. Je voelt je er terug bij! / Frans Van der Auwera. - [S.l.]: Vrijwillige Arbeidsdienst voor Vlaanderen, [s.a.]. - 66 p. : ill. - 30 cm. - [1108]

Tweets

Nieuw boek over de oorsprong Klein-Sinaai en de Boudelo-Abdij is een prachtexemplaar dat je zeker moet hebben! http://t.co/6fXO29YYHb
Prachtige ochtend langs de Stekense Vaart http://t.co/sj0sXLmRoC
Vandaag reeds de eerste inschrijving voor de halloweentocht ontvangen. Het Halloweenteam kan er weer invliegen. http://t.co/kkFh9vvs9S
Follow Klein-Sinaai on Twitter
© 2019 Tony De Wilde. All Rights Reserved.

Please publish modules in offcanvas position.